Visie

Visie

De visie van POL op onderwijs en opvoeding komt voort uit de overtuiging dat kinderen van nature gemotiveerd zijn om te Leren. Er schuilt in elk mens een basisbehoefte om de omgeving te exploreren en om kennis en vaardigheden steeds verder uit te breiden. Maar… Leren is geen automatisch proces, je kunt het niet ingieten! Essentieel voor een optimale leerontwikkeling is dat het leren plaatsvindt in een sfeer van vertrouwen, respect en begrip, in een open relatie en op voet van gelijkwaardigheid met degenen die bij het leerproces betrokken zijn. Een kind zal alleen het maximale uit zichzelf willen en durven halen, wanneer aan die basale behoefte van veiligheid en acceptatie wordt voldaan. Slechts vanuit de zekerheid terug te kunnen vallen op de geborgenheid en bescherming van zijn opvoeders, zal het open staan voor nieuwe dingen, fouten durven maken en risico’s durven nemen. Wanneer daarbij de omgeving ook nog gestructureerd en dus duidelijk en voorspelbaar is, wordt het makkelijker om uit de enorme hoeveelheid informatie de juiste keuze te maken en die optimaal te verwerken.
POL hecht veel waarde aan een ondersteunende, begripvolle houding van de opvoeders en aan een omgeving die zich kenmerkt door structuur en duidelijke afspraken. Het is een misvatting te denken dat kinderen het fijn vinden om geheel vrij en onafhankelijk te zijn.

Aanpassing

POL vat elk kind op als een uniek mens in wording. Impliciet maakt een kind via zijn gedrag duidelijk wat het nodig heeft en wat er aan ontbreekt. Door het gedrag (en dus ook het leer-gedrag) van een kind aandachtig te observeren, is het mogelijk te achterhalen wat het van zijn opvoeders en omgeving vraagt. In die zin zouden opvoeders gedrag dat ‘afwijkt’ dan ook moeten interpreteren als een vraag of roep van het kind om aanpassing van de omgeving aan zijn specifieke behoeften.
POL hecht veel waarde aan behoedzaamheid bij het zoeken naar oorzaken van afwijkend (leer)gedrag. De oorzaak ligt niet per definitie in het kind zelf; minstens zo belangrijk is de invloed van de omgeving/opvoeders op het kind. Het gaat niet om de vraag ‘wie er schuld heeft aan de problemen’, maar om het in kaart brengen van de verschilllende factoren die van invloed zijn op de ontstane leerproblemen, zoals de cognitieve-, sociale- en emotionele kenmerken van het kind én de relaties met- en inrichting van- zijn/haar school- en thuisomgeving.

Leermógelijkheden

In de zoektocht naar de oorzaak ligt bij POL de nadruk op leermógelijkheden en niet op leermóeilijkheden. Juist de perspectief biedende mogelijkheden in het kind en in zijn/haar (leer)omgeving vormen voor POL de leidraad voor onderzoek en advies. Wat het kind kan en durft, komt het beste tot uiting in een sfeer van respect, vertrouwen en acceptatie. Samen, ieder vanuit zijn deskundigheid, zoeken naar aanknopings-punten om de hulpvraag te beantwoorden en de leersituatie te verbeteren, dát is wat POL nastreeft.

Kok, de Ruyter en Miller

De visie van POL op opvoedingsvraagstukken is vooral geïnspireerd door publicaties van de orthopedagogen J.F.W. Kok, P.A. de Ruyter en van de psychotherapeute Alice Miller.
Kok en de Ruyter benadrukten als eersten het pedagogisch perspectief: expliciete aandacht voor de mógelijkheden die er zijn om een stagnerende opvoedsituatie te verbeteren. Zij waren het die vanaf begin jaren ’70 streden voor erkenning van de vraag van het kind (Kok) én de relatie die er is tussen kind en omgeving/opvoeders (de Ruyter). Niet langer: wat mankeert dit (afwijkende) kind, maar: wat heeft dit kind nodig en vooral ook hoe kan de omgeving bijdragen aan waar het kind om vraagt?
Alice Miller houdt zich bezig met de oorzaken en vooral gevolgen van traumatiseringen in de kindertijd. Elke opvoeder is ook zelf kind geweest en door zijn omgeving geworden tot wie hij nu is. Relaties, en dus ook de afhankelijkheids-relatie, die er per definitie is tussen kind en opvoeder(s), worden voor een belangrijk deel bepaald door die vroege persoonlijke ervaringen van de opvoeder(s). Miller beschrijft in haar boek Het drama van het begaafde kind op intrigerende wijze hoe belangrijk het is dat de opvoeder zijn ‘ware zelf’ kent en onder ogen durft zien. Krenkingen uit de eigen kindertijd mogen niet verdrongen worden om langs die weg onbewust te worden doorgegeven. Opvoeders moeten zelfbewust en kritisch zijn ten aanzien van hun opvoedkundig handelen, opdat kinderen zich bevrijd van (andermans) frustraties kunnen ontplooien.